Architectonische bijzonderheden
Opvallend zijn de drie torens van verschillende grootte. Tijdens de Reformatie werd de zuidelijke toren tussen 1509 en 1544 opnieuw opgebouwd in gotische stijl met het materiaal van de eerder afgebroken voorganger. De aanleiding hiervoor waren onder andere de hogere kerktorens van St. Katharinen en St. Marien. De katholieke geestelijkheid wilde qua torenhoogte niet onderdoen voor de dom. Een ander bijzonder kenmerk is de rozet boven het westportaal, die in de overgang van de romaanse naar de gotische stijl in de gevel is uitgesneden. Deze zorgt voor lichtinval in het kerkgebouw en sluit aan bij beide bouwstijlen. Zo ziet hij er van buiten gotisch uit, terwijl hij binnen in de kathedraal romaans is.Het koepelgewelf (spitsbooggewelf) in het middengedeelte van het driebeukige schip is even hoog als de pijlers die het dragen. In zijn gebonden systeem omvat de dom in totaal 15 traveeën (afstanden tussen de pilaren). Terwijl de gewelven van het schip eerder spitsboogvormig zijn en aan de gotiek voldoen, vertonen de buitenmuren de voor de romaanse stijl typische rondboogvormige deur- en raamopeningen. Het bouwwerk is bijna 100 meter lang, hoewel het op het eerste gezicht helemaal niet zo lijkt. De architecten uit de romaanse periode waren zich hiervan bewust en voorkwamen de optische verkorting door onrustige elementen aan de zijkanten en een steeds steiler en hoger wordend gewelf.
In de 17e en 18e eeuw onderging de dom latere verbouwingen, toen de gotische torenspitsen werden vervangen door barokke torenkapjes. Alexander Behnes, die van 1882 tot 1910 verantwoordelijk was voor het behoud van de dom, voerde verdere aan- en verbouwingen uit. Tijdens het bombardement op Osnabrück op 13 september 1944 werden het dak van de dom, de barokke torenkapjes en de aanbouwen verwoest. Bij de wederopbouw kregen de torens hun huidige piramidevormige daken, die het romaanse karakter van de dom benadrukken.
Bijzondere interieurstukken van de dom
Tot de historische inrichting van de dom behoren onder andere het hoogaltaar en de koorbanken van de Osnabrückse beeldhouwer Heinrich Seling uit de jaren 1894-1905. Verder zijn er onder andere de apostelbeelden uit de 16e eeuw op de pijlers van het middenschip en de preekstoel van roodachtig gekleurd kunstmarmer uit 1752, een van de weinige bewaard gebleven werken uit de rococoperiode.Indrukwekkend is het monumentale triomfkruis uit circa 1230. Met een hoogte van het corpus van 3,85 meter is het het grootste kruis in zijn soort in heel Duitsland. Het is inmiddels bijna 800 jaar oud en daarmee ook een van de oudste inrichtingsstukken van de dom. Zoals in die tijd gebruikelijk was, bevat ook deze Jezusfiguur van eikenhout in het hoofd een relikwie. De voeten van de Jezusfiguur zijn afzonderlijk met twee spijkers aan het kruis vastgeslagen. Dit weerspiegelt de middeleeuwse, romaanse opvatting van de kruisigingsscène. In de latere gotiek werden beide voeten in principe alleen gekruist en met één spijker aan het kruis vastgezet.
Het bronzen doopvat (ook wel „Fünte“ = bron genoemd) in romaanse stijl dateert uit de tijd rond 1225 en diende voor het ritueel van de volledige lichaamsdoop. Hiervoor moesten de dopelingen geheel in de ketel worden ondergedompeld. Voorheen werden de daarvoor gebruikte Fünten op zo groot mogelijke afstand van het altaar geplaatst, aangezien de dopelingen nog niet gedoopt waren en als zodanig de kerk zo min mogelijk moesten betreden. Bovendien werden deze Fünten verwarmd: buiten de kerk stak men hiervoor een klein vuurtje aan, legde er stenen in en verwarmde daarmee vervolgens de ketel.
De dom beschikt over twee orgels: het huidige hoofdorgel dateert uit 2003 en heeft 53 registers. Daarnaast bevindt zich in het noordelijke dwarsschip een klein koororgel.
Het bisdommuseum
Direct naast de dom bevindt zich op 500 m² tentoonstellingsoppervlakte het in 1918 opgerichte Domschat- en Diocesaanmuseum. In een permanente tentoonstelling worden hier voorwerpen uit meer dan 1000 jaar bisdomsgeschiedenis tentoongesteld. Daartoe behoren naast de domschat de relikwieën van de bisdomheiligen Crispinus en Crispinianus, schilderijen, prenten, beeldhouwwerken, liturgische gewaden en kostbaar meubilair. Bijzonder belangrijke stukken zijn onder andere werken van de „Meester van Osnabrück“ of het zijden priestergewaad van Benno II van Osnabrück uit de 11e eeuw.Podcast „Domgeflüster – Geheimen onder het gewelf“ (Duits)
Leerlingen van de Angelaschule in Osnabrück hebben in zes podcastafleveringen 2026 bijzonderheden van de dom belicht. Ze laten de bezoekers kennismaken met de relikwieengalerij, het grote domorgel en ook raadselachtige en verborgen verhalen uit de dom. Het project is tot stand gekomen in samenwerking met de schatkamer van de dom en het diocesane museum en werd gesubsidieerd door de Duitse Stichting voor Monumentenzorg.








